<img height="1" width="1" src="https://www.facebook.com/tr?id=169501973409786&ev=PageView&noscript=1">

Website momenteel te druk

Op dit moment is de WML website niet goed bereikbaar.
Probeer het over een aantal minuten a.u.b. nogmaals.
Kijk op twitter voor de actuele informatie.
Er zijn 4 storingen. Op 96 plekken zijn er werkzaamheden
mijnWML is uw persoonlijke online omgeving. Hier bekijkt en beheert u uw gegevens, waterverbruik, termijnbedrag, facturen of geeft u een verhuizing door.
Lees voor

"Strenge mestnormen vragen om meer vakmanschap"

Vervolg DSG Nieuwsbrief 2018-1

De strengere mestwetgeving van de laatste jaren heeft zichtbaar gemaakt bij welke gewassen en op welke percelen problemen kunnen ontstaan. Volgens akkerbouwer George Roebroek wil dat niet zeggen dat een boer daardoor automatisch minder opbrengst krijgt. Hij zal wel beter moeten nadenken over welke gewassen hij wanneer en waar teelt. Door goed vakmanschap valt er ook met de strengere normen goed te werken en hoeft de grond niet uitgeput te raken.

Roebroek is een familiebedrijf dat al ruim honderd jaar bestaat. George en zijn broer Gilbert zijn de vierde generatie en voeren twee akkerbouwbedrijven in Beek en het Duitse Weisel, zo’n twintig kilometer ten zuiden van Koblenz. De bedrijven telen een grote variatie aan gewassen, van tarwe tot onder meer koolzaad, spelt, aardappelen, maïs, witlof, erwten en bonen. Het bedrijf in Beek is 220 hectare groot, dat in Weisel 350 hectare. Beide bedrijven liggen gedeeltelijk in een grondwaterbeschermingsgebied. Qua mestwetgeving zijn er geen grote verschillen meer tussen Nederland en Duitsland, vertelt George. ‘Wel zijn de toegestane bemestingstechnieken anders.’

Ruim bouwplan
De basis van een goed akkerbouwbedrijf ligt volgens George in een ruim bouwplan, met voldoende granen en een grote variatie in geteelde gewassen. ‘Vroeger was dat niet nodig. Toen leefde onder boeren de gedachte: hoe meer mest, hoe beter, want daarmee kreeg je alle gewassen wel aan het groeien. Met de huidige normen kan dat niet meer. Het komt er nu op aan goed na te denken over welke gewassen je in welke volgorde op bepaalde percelen teelt. Door dat goed te doen, zet je de toegestane bemesting zo efficiënt mogelijk in.’

Een goed voorbeeld is de aardappelteelt. ‘Het aardappelgewas gaat niet efficiënt om met de toegediende mest, waardoor er een grote kans is op uitspoeling’, legt George uit. ‘Daarom laten we de aardappelteelt altijd opvolgen door wintertarwe. Dat wortelt dieper en haalt de stikstofrestanten weer uit de bodem, zodat deze niet kunnen uitspoelen naar het grondwater. Wintertarwe brengt bovendien rust in de grond. De oogst is vroeg en daarna kan een groenbemester worden ingezaaid, zodat het bodemleven zich kan herstellen en er nieuwe voedingsstoffen vrij komen. De aardappelteelt put de bodem juist uit. Wij telen daarom maar eens in de vier jaar aardappelen op een perceel. Eens in de vijf of zes jaar is misschien nog beter. Economisch gezien is eens in de drie jaar echter aantrekkelijker, maar dan raakt de bodem al snel uitgeput.’

Een ander voorbeeld is witlof. Roebroek teelt witlof op de Zuid-Limburgse lössgrond. Dat is bijzonder, want witlof wordt hoofdzakelijk geteeld in de polder en in Zeeland. ‘Wij hebben ontdekt dat lössgrond langzaam stikstof afgeeft’, aldus George. ‘Daardoor kunnen wij zonder bemesting witlof telen, met een betere groei dan op de bemeste percelen in de polder. Tegelijkertijd geeft dit ook aan dat onze lössgronden goed in staat zijn om nitraten vast te houden. Ik vind het dan ook bijzonder jammer dat wij in de nitraatrichtlijn nog steeds worden ingedeeld onder zandgrond.’

Kiezen voor de lange termijn
George concludeert dat je zelfs met de strengere mestnormen net uit de voeten kunt, ook al haal je niet altijd met alle gewassen een optimale opbrengst. ‘Daarom vind ik het ook goed dat in het project Slim Bemesten wordt bekeken of en hoe je van de normen kunt afwijken, zonder dat de uitspoeling van stikstof naar het grondwater groter wordt. Verder vind ik dat de overheid moet kijken naar de toegestane technieken. In Duitsland mogen boeren in de winter, mits ze gebruik maken van een sproeiboom met sleepslangen, drijfmest bovengronds verspreiden tussen bijvoorbeeld wintertarwe. Dat is een goede manier om de grond tussentijds te bemesten, en vaker bemesten met kleinere hoeveelheden is sowieso beter dan minder vaak met grotere hoeveelheden. In Nederland is deze manier van bemesten niet toegestaan vanwege het risico op emissies. Injecteren van de mest kan echter moeilijk tijdens de gewasgroei, omdat de zware machines de gewassen beschadigen. Bij wintertarwe is er volgens mij echter geen groot risico op vervliegen van de drijfmest.’

Al met al komt het dus aan op goed vakmanschap en op goed nadenken over waar je je op richt: de korte of lange termijn, besluit George. ‘Het is net als met werken: je kunt zeventig uur per week werken. Dan verdien je misschien meer, maar dat houden de meeste mensen niet lang vol. In de akkerbouw geldt hetzelfde: met een te intensief bouwplan op korte termijn put je de bodem uit. Ik kies dan liever voor de lange termijn. Als onze voorouders de grond hadden uitgemergeld, hadden wij nu een groot probleem. Ons streven is om onze gronden ooit weer te kunnen doorgeven en er voor te zorgen dat ook de vijfde generatie na ons kan blijven boeren!’

Regel uw zaken zelf via mijnWML

U kunt de meeste zaken rondom uw drinkwateraansluiting zelf online regelen. In mijnWML bekijkt en beheert u bijvoorbeeld uw gegevens, kunt u een verhuizing doorgeven en kunt u de financiële waterzaken regelen.